Positieflijsten
15

ir. Ed.J.Gubbels,

secretaris PVH,

 

Inleiding

Al tientallen jaren wordt in Nederland gesproken over de instelling van Positief- en Negatieflijsten. Dat zijn lijsten van diersoorten die ‘alleen maar’ of juist ‘helemaal niet’ mogen worden gehouden. De discussie daarover kreeg in 1992 wat vaster vorm met de komst van de Gezondheids- en Welzijnswet Dieren (GWWD). In artikel 33 van die wet werd vastgesteld dat het verboden is dieren te houden, tenzij ze behoren tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën. Deze bepaling werd overgenomen in artikel 2.2 van de nieuwe Wet dieren die sinds 1 januari 2013 van kracht is.

Het artikel 33 van de GWWD kwam nooit in werking. Het was wèl het startpunt voor een overleg van alle maatschappelijke partijen onder leiding van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA). Dit overleg mondde uit in breed-gedragen Positief- en Negatieflijsten.

Niet iedereen was met alles even gelukkig, maar de partijen hadden elkaar gevonden, deels op basis van wetenschappelijke en houderij-technische argumenten, deels in een compromis, en de lijsten konden worden ingevoerd. Dat gebeurde niet, de minister liet het afweten.

Het Andibel-arrest (C-219/07)

Op 19 juni 2008 deed het Europese Hof een uitspraak over de rechtmatigheid van de Positieflijst voor zoogdieren die de Belgische regering had ingevoerd. Het Hof sprak zich heel duidelijk uit over de motieven die plaatsing van soorten op de ene of de andere lijst rechtvaardigen en formuleerde spelregels voor de overheid voor het opstellen van deze lijsten. Het Hof noemde als motieven:

- punt 27, het welzijnsbelang van het dier,

- punt 28, het gevaar voor de gezondheid en het leven van personen en dieren,

- punt 29, het gevaar voor de inheemse flora en fauna.

Uit de spelregels die daarna worden gegeven blijkt dat de aanwijzing van soorten voor een Positief- of Negatieflijsten, niet ‘zomaar’, op basis van een politieke keuze, kan plaatsvinden. Het Hof laat weten:

- punt 34, dat de opstelling en de latere wijzigingen van de nationale lijsten van diersoorten moet berusten op criteria die objectief en niet discriminerend zijn,

- punt 35, dat er een toegankelijke procedure moet zijn voor belanghebbenden die diersoorten aan de Positieflijst willen laten toevoegen. De overheid moet binnen een redelijke termijn besluiten. Eventuele weigeringen moeten worden gemotiveerd en dient een procedure te zijn om tegen de uitspraak beroep aan te tekenen,

- punt 36, dat de overheid kan een verzoek (tot plaatsing op de positieflijst of om een uitzonderingsvergunning voor een individuele houder) slechts afwijzen indien het houden van dieren van de gewenste soort een reële bedreiging vormt voor de bescherming van de drie hierboven genoemde belangen, elke afwijzing moet gemotiveerd zijn

- punt 37, dat plaatsing op de lijst kan slechts worden afgewezen op grond van uitgebreid en gedegen onderzoek naar het gevaar van het houden van de soorten voor de bescherming van de drie hierboven genoemde belangen

Het Andibel-arrest gaat eigenlijk over handelsbelemmeringen die de landen binnen het Europese vrijhandelsverdrag wèl of niet mogen instellen. Een Positieflijst is zo’n handelsbelemmering (voor alle niet-opgenomen soorten). Het Hof geeft in haar eindconclusie aan dat de weigering tot plaatsing van een soort op de Positieflijst alleen maar gerechtvaardigd is:

“indien de bescherming of de eerbiediging van de belangen en de vereisten vermeld in de punten 27 tot en met 29 van het onderhavige arrest niet even doeltreffend kan worden gewaarborgd door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken.”

Dat is een belangrijke voorwaarde. Met een systeem van bindende houderijvoorschriften zou het vereiste in punt 27 van het Andibel-arrest (welzijn) doeltreffend kunnen worden gewaarborgd. Die voorschriften zouden ‘bindend’ moeten worden verklaard voor iedereen die de soort wenst te houden, ze zouden tevens de toetsingsnorm kunnen zijn voor de handhavers. De punten 28 en 29 vragen een separate afweging. Soorten die om de daar genoemde redenen niet zouden moeten worden gehouden, zouden op een Negatieflijst moeten worden geplaatst.

Het maatschappelijk denken

In onze maatschappij vinden we het hele scala van opvattingen over dierhouderij. We zien aan de ene kant van het spectrum de genadeloze dier-exploitanten die geheel vrij zijn van elke compassie met het dier, aan de andere kant de anti-dierhouderij-activisten die elke vorm van houderij zien als chronische kwelling van het dier. De meerderheid van de Nederlandse bevolking ziet het houden van dieren als een ‘geaccepteerd’ verschijnsel, meer dan de helft van hen beleeft de toegevoegde waarde van het houden van huisdieren.

In de pers en bij delen van de bevolking (ook bij de politiek) wordt dat anders beleefd. Daar zet de anti-dierhouderij-lobby de toon en wordt elk incident waarbij het ‘niet goed’ ging, breed uitgemeten als één van de vele voorbeelden van de chronische dierkwelling die dierhouderij heet. De mensen die dit propageren idealiseren ‘het leven in de natuur’. Ze ontlenen hun oprechte en diepe overtuiging en emoties waarschijnlijk aan de wereld van Walt Disney met zijn vrolijk dartelende bambi’s in de natuur. De biologische feiten en de bevindingen in de praktijk van de dierhouderij laten een wat andere werkelijkheid zien.

De meerderheid in de Tweede Kamer liet zich in die anti-dierhouderij-opvatting meeslepen en bij velen heeft daar de overtuiging post gevat dat er eigenlijk een verbod zou moeten komen op het houden van zoveel mogelijk soorten c.q. dat er een zo kort mogelijke Positieflijst zou moeten komen. De Tweede Kamer mag daar natuurlijk een mening over hebben maar, zoals we hierboven al aangaven, het Europese recht is bepalend voor de uiteindelijke invulling van zo’n Positieflijst.

Intrinsieke waarde en integriteit

 

In de maatschappelijke discussie over dierenwelzijn werden in de achterliggende decennia, bij gebrek aan nuchtere en aantoonbare argumenten, wat nieuwe begrippen ingebracht: de intrinsieke waarde van het dier en de integriteit van het dier. Het gaat daarbij niet zozeer om wat dieren aan hun leven beleven, maar om wat mensen vinden dat aan dieren ‘toebehoort’.

Zo vindt bijvoorbeeld een politieke meerderheid dat je dieren niet zou mogen couperen of leewieken, dat zou een aantasting zijn van ‘de heelheid’ van het dier. Maar ja, we castreren er wèl lustig op los zodra dat ons van pas komt. En om de teruggeplaatste straatkatten die al ‘aan de beurt’ zijn geweest een beetje gemakkelijk te herkennen, knippen we die een stukje van een oor af.

Het is niet geheel duidelijk of daarmee niet toch een stukje van hun integriteit of van hun intrinsieke waarde wordt weggecastreerd en afgeknipt. De staatssecretaris legde onlangs nog uit dat je door te leewieken (bij loop- en zwemvogels) het dier iets ontneemt ‘dat het het liefste doet’. Het zet aan tot enig overpeinzen dat zij dit argument nog steeds niet heeft opgevoerd waar het om castraties gaat.

We komen die begrippen ook tegen in het gesprek over de noodzaak tot het opstellen van Positieflijsten. Op alle punten waar de discussie staakt, waar de inhoudelijke argumenten tekort schieten, roept altijd wel weer iemand iets over de intrinsieke waarde en de integriteit van het dier, waarna weer anderen zeer begrijpend en instemmend knikken. En dat is heel bijzonder, de meeste mensen geven toe het niet ècht te begrijpen en de dierbelangen boven mensenopvattingen te willen stellen. We leven kennelijk in een wereld waarin niet meer het belang van het (gehouden) dier bepalend is, waarin alleen nog een op de gewenste uitkomst toegesneden ethiek de dienst uitmaakt.

Overijverige ambtenaren en dienstige wetenschappers

Na het Andibel-arrest leek iedereen het er over eens te zijn, dat de opstelling van een Positieflijst om praktische redenen een onhaalbare zaak was geworden. De wettelijk vereiste inspanningen voor de beoordeling van al die soorten werden te omvangrijk en te kostbaar. Desondanks kwam het ministerie in juni 2011 alsnog met een methode voor het vaststellen van Positieflijsten. Het ministerie had aan onderzoekers van de WUR de opdracht gegeven om de wetenschappelijke onderbouwing aan te leveren voor de opstelling van een Positieflijst met als criterium ‘gedrag in de natuur’. Soorten die hun ‘gedrag in de natuur’ in de houderij-situatie niet kunnen uiten, hebben dus onvoldoende welzijn en mogen niet op de Positieflijst. Een nogal misplaatste poging tot voortvarendheid.

Dit uitgangspunt is strijdig met de letter en de geest van het Andibel-arrest. Punt 27 van het arrest gaat over het welzijn van het gehouden dier, ongeacht wat dat dier ergens in de natuur wèl of niet doet. Het is niet ondenkbaar dat de opdrachtgevende ambtenaren zich wat al te zeer lieten meenemen door hun persoonlijke opvattingen over dierhouderij.

Dat neemt niet weg, de WUR-onderzoekers leverden maatwerk aan hun opdrachtgevers. Ze schaamden zich niet om gepubliceerde gedragsuitingen in een willekeurige natuurlijke omgeving tot gedragsbehoeften te verklaren en introduceerden een ‘religieus’ verschijnsel waarbij er ook nog een gebrek aan welzijn zou bestaan dat niet waarneembaar is in de vorm van fysiek, geestelijk of sociaal lijden van het gehouden dier.

Daarbij gingen zij er gemakshalve van uit dat er in de houderij (in een beschermde omgeving) geen welzijnsvoordelen zijn ten opzichte van het leven de natuur. Ze lieten geen argument onbenut om de door hun opdrachtgever gewenste uitkomst te voorzien van een wetenschappelijk aandoend sausje. Ze leverden een rapport dat de opdrachtgever in de gelegenheid moet stellen te beweren dat er ‘wetenschappelijk verantwoorde’ besluiten worden genomen bij het vaststellen van een uiterst beperkte Positieflijst.

 

Inspraak van de sector

Telkens wanneer de overheid een besluit neemt, kan de burger (of een belangenorganisatie) die het daarmee oneens is, naar de bestuursrechter stappen en daar een oordeel vragen. De eerste vraag die de bestuursrechter dan aan de overheid stelt, is of de belanghebbende partijen werden ‘gehoord’.

En dus werden de partijen in de sector ‘gehoord’. Nadat de onderzoekers van de WUR in juni 2009 met hun opdracht aan de slag ging en in mei 2010 hun rapport aanleverden, mochten de partijen in de sector in juni 2011 hun bedenkingen inbrengen. De onderzoekers hoorden die bedenkingen aan, glimlachten minzaam en gaven geen krimp. Ze hulden zich, evenals het ministerie, in stilzwijgen. Ja, er werd gehoord. En nee, er werd niet geluisterd.

De argumenten die de sector inbracht werden aangehoord, er vond geen enkele inhoudelijke gedachtenwisseling plaats. De strijdigheid met het gestelde in het Andibel-arrest werd ontkend. Het ministerie liet weten dat het geen reden had om aan ‘de wetenschap’ te twijfelen en de wetenschappers van de WUR gaven te kennen dat ze er ook niks aan konden doen, dat was nu eenmaal de opdracht van het ministerie. De sector werd van het kastje naar de muur gestuurd.

Kortom, er blijft waarschijnlijk geen andere route dan de gang naar de bestuursrechter en, desnoods, naar het Europese Hof.

Welzijnsbelang?

Een belangrijk argument in de strijd tegen het houden van ‘bijzondere’ soorten was altijd dat ze ‘te veeleisend’ zouden zijn voor de houders en dat ze daardoor in hun welzijn tekort zouden worden gedaan. Uit de gegevens van de opsporingsinstanties blijkt daar niets van. In nagenoeg alle gevallen waarin wordt opgetreden, gaat het om verwaarlozing. Bovendien gaat het vrijwel uitsluitend om dieren van de aai- en knuffelsoorten, de diersoorten die straks gewoon mogen worden gehouden (honden, katten, konijnen, …). Welzijnsgebrek als gevolg van gebrek aan kennis (onkunde) werd nauwelijks of niet vastgesteld.

Er dreigt een ander, een groter, gevaar. Het merendeel van de te verbieden soorten wordt in huis of in de achtertuin gehouden. Nadat de Positieflijsten van kracht worden, zal er, bij de open EU-grenzen, een indrukwekkend illegaal circuit ontstaan. De overheid krijgt hier geen grip op zonder een aanzienlijke uitbreiding van de inspanningen in de handhaving. Het is een goede gewoonte in de politiek om, zodra de politieke discussie over een heikel thema loopt, ferm en moedig in te zetten op ‘extra’ handhaving en om die inspanning daarna, bij een volgend hot item, weer weg te bezuinigen. Zo ging dat met de dierenpolitie en het wordt ook hier niet anders. Dat hoeft in dit proces niet persé helemaal verkeerd te zijn. Immers, naarmate de handhavingsdruk groter is, blijft er minder ruimte om aan de welzijnseisen van de gehouden dieren te voldoen en verdwijnen er meer dieren uit de achtertuinen. Het wordt dan meer ‘behelpen’ in de achteraf-schuurtjes en in de souterrains.

Strikt genomen is het niet zo belangrijk, in hoeverre de overheid grip krijgt op de ontwikkeling. Wat wèl van belang en erg zorgelijk is, is dat de organisaties in de sector het contact verliezen met deze toekomstige illegale dierhouders. Daarmee stopt de gedachtenwisseling met deze groep over de houderij-omstandigheden en gaat ook een belangrijk deel van het onderlinge ‘vakinhoudelijk’ overleg tussen deze mensen verloren.

Captive conservation

Een punt waaraan volledig wordt voorbijgegaan is dat er nogal wat diersoorten in hun natuurlijke habitat met uitsterven worden bedreigd. Die bedreiging is het gevolg van onze economische vooruitgang die gepaard gaat met een voortschrijdende biotoopverwoesting in grote delen van de wereld. Veel van die bedreigde soorten worden door gespecialiseerde liefhebbers in de houderij in stand gehouden. De genenpools die zij beheren kunnen straks, bij een eventueel biotoopherstel, het verschil maken tussen uitsterven of behouden. Er lopen inmiddels voor een reeks van soorten initiatieven waarbij de genenpools beheerd worden via stamboeken. Er zijn ook al voor een aantal soorten op bescheiden schaal herintroductie-programma’s in gang gezet.

De kennis en de kunde die in de loop der jaren door de particuliere houders werd opgebouwd, is essentieel voor het behoud van de soorten. De ‘officiële’ programma’s die op dit vlak bij dierentuinen en wildparken lopen, schieten in dit opzicht vèrgaand tekort. Het ontbreekt hen aan de middelen en de ruimte om dergelijke captive conservation programma’s op te zetten voor àlle soorten. Daarbij moet een aanzienlijk deel van hun inkomsten worden binnengehaald met ‘publiekstrekkers’ en zijn er nogal wat soorten die daar wat minder geschikt voor zijn. Dankzij de (inmiddels groeiende) samenwerking tussen de bedrijfsmatige en de particuliere dierhouders, kan extra capaciteit beschikbaar worden gemaakt voor het behoud van voldoend grote genenpools als back-up voor de kwijnende natuurlijke populaties.

Samenvattend

Op grond van de voorgaande overwegingen moeten we met grote teleurstelling het navolgende vaststellen:

         - er wordt uitgegaan van een niet-eerlijk beeld van de houderij van bijzondere soorten,

         - de ambtenaren hebben geen enkele belangstelling voor de overwegingen van de sector,

         - de WUR levert een methode aan, die wetenschappelijk zeer aanvechtbaar is,

         - zowel het uitgangspunt als de methode zijn strijdig met het Andibel-arrest,

         - deze aanpak is schadelijk voor de behoudsinspannigen voor vele honderden soorten,

         - de aanpak draagt niet bij aan verbetering van dierenwelzijn, in tegendeel (illegaliteit),

Daarmee is er geen enkel draagvlak in de sector voor het lopende proces en de doelstellingen die de overheid nastreeft. De organisaties in de sector voorzien een rampzalige ontwikkeling waarbij het huidige ‘werken aan dierenwelzijn’ wordt vervangen door een slepend onoplosbaar maatschappelijk conflict. Een op de levensovertuiging van enkelen gebaseerd houderijverbod doet aan grote groepen in de samenleving en aan dierenwelzijn tekort.

Actions: E-mail | Permalink |
Petitie tegen de Positieflijsten
SATO
  

 

SATO is de vereniging die de belangen behartigt voor organisaties van koudbloedige dieren, zoals reptielen, vissen en amfibieën

 

Inleiding

Veel mensen houden vissen, amfibieën, reptielen of ongewervelde dieren. Deze worden gerekend tot de koudbloedige dieren, dat wil zeggen dat ze hun lichaamstemperatuur niet systematisch op een hoog peil houden. De variëteit hierin is enorm. Er zijn wel 28.000 soorten vissen, 3.500 soorten amfibieën, 6.000 soorten reptielen. Om over het aantal soorten insecten maar te zwijgen.
Het is daarbij van belang ook te weten hoe deze huisdieren op verantwoorde wijze gehouden moeten houden. Dat is vaak niet zo moeilijk, als je maar weet hoe. Dat geldt zelfs voor zogenaamd “moeilijke” diersoorten.
Er komt natuurlijk toch nog wel wat bij kijken; voeding, temperatuur, vochtigheid, juiste inrichting van het verblijf, verlichting, om maar eens een paar aspecten te noemen. Het gaat er dus om de juist informatie hierover te krijgen. Eerst wordt natuurlijk gezocht op internet. Daar is al het nodige te vinden, maar meestal blijven er toch nog vragen over. Voor antwoorden daarop zoekt men mensen of organisaties met kennis en ervaring.

 

Aquarium- en terrariumorganisaties

Daarbij komt men al snel terecht bij een aquarium- , terrarium- of anderszins gespecialiseerde vereniging voor houders van koudbloedige dieren. Hier is toch de meeste deskundigheid te vinden over onze huisdieren. Aansluiten bij een dergelijke vereniging heeft voor de echte liefhebber meerdere voordelen die ruimschoots opwegen tegen de kosten van het lidmaatschap. Contact met de overige leden om ervaring uit te wisselen, aanschaf van gezonde nakweek dieren, ruilen, uitwisselen van mannetjes- en vrouwtjesdieren om kweekstellen te krijgen, informatie over gespecialiseerde boeken, tips over materialen en apparaten, interessante artikelen in het verenigingsblad, bijwonen van lezingen, excursies etc. Kortom binnen een vereniging is van alles vinden om onze dieren op verantwoorde wijze te kunnen houden.

 

Samenwerkende Aquarium- en Terrarium Organisaties

Deze vereniging is opgericht op 20 november 1996 door de toenmalige Nederlands en Belgische Bond van Zee-aquariumverenigingen, de Nederlandse Bond Aqua-Terra en de Nederlandse Schildpadden Vereniging, nu de Nederlands-Belgische Schildpadden Vereniging. De SATO is ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer 40125474.

De SATO is een koepelorganisatie waarbij diverse aquarium- en terrariumverenigingen zijn aangesloten. De huidige leden in zijn:

    • Dendrobatidea Nederland ( DN ), kikkers, 1033 leden.
    • Europese Slangen Vereniging ( ESV ), 250 leden.
    • Killifish Nederland (KFN ), eierleggende tandkarpers, 116 leden.
    • Lacerta, Nederlandse Vereniging voor Herpetologie en Terrariumkunde ( NVHT ), 667 leden.
    • Nederlands Belgische Schildpaddenvereniging ( NBSV ), 470 leden.
    • Nederlandse Bond Aqua Terra ( NBAT ), 2110 leden.
    • Poecilia, levenbarende tandkarpers, 71 leden.
    • Salamandervereniging, 93 leden.

    De volgende verenigingen overwegen in 2015 lid te worden:
    Kameleon Vereniging Nederland ( KVN ).
    Nederlandse Vereniging voor Cichlidenliefhebbers ( NVC ).

    De SATO heeft tot doel:

    • Het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de leden.
    • Het bevorderen van de gezondheid en het welzijn van koudbloedige- en ongewervelde dieren, bestemd tot gezelschapsdieren.
      Zeker gelet op het feit dat het aspect dierenwelzijn een steeds belangrijker rol gaat spelen in de maatschappij en politiek is het bevorderen van de voorlichting hierover een belangrijk onderdeel van onze doelstelling.

     

    Zij tracht dit doel ondermeer te bereiken door:

    • Het organiseren van bijeenkomsten, waarin de gemeenschappelijke belangen van de leden worden vastgesteld.
      Deze worden vijf maal per jaar gehouden met bestuur en vertegenwoordigers van de aangesloten verenigingen. Hierbij wordt informatie uitgewisseld om te bezien welke onderwerpen ondersteund of overgenomen kunnen worden voor verdere behandeling.
    • Het tot stand brengen en onderhouden van een relatie met (verwante ) organisaties en de overheid.
      Hiertoe neemt de SATO deel aan het samenwerkingsverband met de Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit (SPVH / www.huisdieren.nu). Deze Stichting heeft onder andere tot doel:
      “De bevordering van een verantwoorde relatie tussen mens en het gezelschapsdier alsmede het stimuleren van het op verantwoorde wijze houden van gezelschapsdieren”.

    Hiertoe worden door de Werkgroepen voor koudbloedige dieren; de Werkgroep Reptielen en Amfibieën en de Werkgroep Vissen en ongewervelden “Gidsen Goede Praktijken” opgesteld.
    Bij het SPVH zijn overigens meerdere koepels aangesloten. Buiten de SATO ook van bijv. honden, katten, postduiven en andere huisdieren. Via deze stichting wordt ook het contact met de overheid onderhouden. Dat is vooral belangrijk om een inbreng te hebben in het opstellen van realistische, duidelijke en uitvoerbare wet- en regelgeving voor de dierenhouders. Te denken valt aan: Welke dieren mogen er wel of niet gehouden worden, vergunningstelsels, chippen, regels voor transport, reglementen voor het houden van beurzen etc.

    Hiertoe wordt deelgenomen aan symposia, hoorzittingen en internet- communicatie.

    • Het verzamelen en beschikbaar houden van informatie die voor de leden in de uitoefening van hun activiteiten van belang is.
      Hiertoe is de site opgezet www.satonederland.nl . Buiten de informatie over de SATO zelf zijn er algemene onderwerpen opgenomen die de hobbyist op diverse gebieden de gezochte informatie kunnen bieden. Ook is er een link naar de aangesloten verenigingen.
      Daarnaast is er een link naar het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG / 
      www.licg.nl). Deze onafhankelijke Stichting is opgericht in samenwerking met het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV). LICG levert een bijdrage aan voorlichting over het verantwoord aanschaffen en houden van gezelschapsdieren. Hiertoe hebben zij voor een aantal koudbloedige dieren bijsluiters opgesteld.

    Pterolebias peruensis (foto R. Wildekamp www.killifishnederland.nl)
    Aphyosemion hanneloreae(foto R. Wildekamp www.killifishnederland.nl)
    Aphyosemion gabunense (foto R. Wildekamp www.killifishnederland.nl)
    Tylotottriton kweichowensis
    Terrapene carolina triunguis (foto Job Stumpel)