Positieflijsten
17

Al tientallen jaren probeert de Nederlandse overheid het houden van exotische dieren te reguleren. Al vanaf de  jaren ’80 van de vorige eeuw zijn er allerlei pogingen geweest welke keer op keer niet geresulteerd hebben in nieuwe wetgeving. 

Momenteel werkt de overheid (weer) aan positieflijsten. Dit zijn lijsten waarop diersoorten staan die gehouden mogen worden. Dit betekent dus ook dat diersoorten die níet op de lijsten staan, ook níet meer gehouden mogen worden! De manier waarop die lijsten tot stand komen, is wezenlijk anders dan voorheen en de gevolgde methode leidt tot grote zorgen bij dierenhouders die een vinger aan de pols houden. Door middel van deze tekst informeren we dierenhouders in Nederland. En we waarschuwen jullie, want er schuilt een groot gevaar achter de façades van de Haagsche Politiek! 

Ondertussen wordt bijna alle wetgeving m.b.t. dieren in Brussel gemaakt. Op Europees niveau dus, bindend voor alle Europese lidstaten. In Nederland wordt de nieuwe raamwet Wet Dieren dan ook grotendeels ingevuld met Europese regelingen. Een uitzondering is wetgeving die het dierenwelzijn moet waarborgen; dit soort wetgeving wordt in de lidstaten zelf gemaakt. Om het dierenwelzijn te waarborgen, heeft de Nederlandse overheid het opstellen van positieflijsten als correct middel gezien. De gedachte lijkt te zijn: we stellen een lijst op met diersoorten die gehouden mogen worden en vervolgens neemt het dierenleed af. Daar is natuurlijk heel wat op af te dingen. Dierenwelzijn gaat immers over individuen en een individueel dier is er niet bij gebaat als het toevallig op een lijst staat die zegt dat het in gevangenschap gehouden mag worden. Dat dier wordt er pas beter van als zijn baasje hem met kennis, kunde en middelen op een soortgerichte, respectvolle manier houdt. Sterker nog, de meeste incidenten van slecht houderschap zie je bij diersoorten die veel gehouden worden die sowieso op een positieflijst terecht komen: honden, paarden, konijnen etc. Verreweg de meest geregistreerde reden van welzijnsgebrek: verwaarlozing. Een gebrek aan kennis of kunde werd door opsporingsinstanties zelden tot nooit vastgesteld. 

Hoe dan ook, de overheid is van mening dat positieflijsten het middel moeten vormen om dierenwelzijn te waarborgen. Sterker nog, enkele jaren geleden heeft de Tweede Kamer zich er voor het eerst duidelijk over uitgesproken dat die positieflijsten er moeten komen. De Kamer heeft deze wens ondertussen zelfs meerdere malen uitgesproken. En daarmee ligt er dus een democratisch mandaat waar eigenlijk niet onderuit te komen is: die positieflijsten moeten er komen, aldus de politiek. Opeenvolgende ministers hebben de publicatie van positieflijsten in de tijd vertraagd met redelijke argumenten voor nader onderzoek en overleg. Liefhebbersorganisaties hebben bij herhaling hún voorstellen ingeleverd bij de ambtenaren die met dit dossier belast zijn. Maar ondertussen is op 1 januari 2013 de Wet Dieren in werking getreden en artikel 2.2 van die wet zegt het duidelijk: ‘het is verboden dieren te houden, tenzij ze behoren tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën.’ Ofwel: van diersoorten die niet op de positieflijst staan, is het houden verboden.  

Terug naar de totstandkoming van de positieflijsten. Om een wat beter beeld te krijgen van de huidige situatie, gaan we wat jaren terug in de tijd. 

In 2003-2004 heeft de RDA (Raad voor Dierenaangelegenheden) gewerkt aan een opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit. De opdracht was het samenstellen van positieflijsten voor gezelschapsdieren. De RDA heeft daarvoor een aantal commissies met deskundigen op het gebied van de houderij samengesteld. Voor elke diergroep was er een aparte commissie, waarvan de leden deskundig waren voor de betreffende diergroep. De reptielen en amfibieën werden samen door één commissie behandeld. Voor deze dieren werd een drieledige lijst opgesteld, waarvan de delen ‘groen’, ‘oranje’ en ‘rood’ genoemd werden. De soorten op de groene lijst werden gezien als probleemloos houdbaar, de dieren op de rode lijst werden gezien als niet houdbaar en voor de dieren op de oranje lijst werd aangegeven dat er voorwaarden gesteld moesten gaan worden bij het houden. Bijvoorbeeld omdat het potentieel gevaarlijke dieren zouden zijn, of omdat de dieren heel specifieke, moeilijk realiseerbare voorwaarden stellen aan hun huisvesting, voedsel of iets dergelijks. Andere commissies benaderden het opmaken van de lijsten voor de andere diergroepen op een net wat andere manier, maar uiteindelijk zijn er destijds voor alle groepen gewervelde dieren positieflijsten opgesteld. Overigens was er ook altijd een vertegenwoordiger van de dierenbescherming aanwezig tijdens deze bijeenkomsten. En de voorzitter was een afgevaardigde van de RDA.

Bovengenoemde lijsten waren redelijk omvangrijk en in 2005 vroeg het ministerie van LNV om kortere lijsten. De lange lijsten werden dus niet door het ministerie geaccepteerd, ondanks dat deze lijsten na lang eggen en ploegen wél geaccepteerd waren door alle maatschappelijke organisaties, waaronder natuurbeschermingsorganisaties zoals de Dierenbescherming. Hoewel, op het laatste moment distantieerde de Dierenbescherming zich alsnog van de lijsten. Dit accepteerde de RDA niet; ondanks het minderheidsstandpunt van de Dierenbescherming bood de RDA de positieflijsten als advies aan het ministerie aan. 

In deze jaren verzoekt de Tweede Kamer het ministerie ook om de positieflijsten op te nemen in de wet maar uiteindelijk komt het er niet van. Hiervoor zijn verscheidene oorzaken. Zo was de overheid ondertussen het zicht op de gezelschapsdierensector kwijt en liet ze zich eenvoudig beïnvloeden door de tegenlobby zoals de Dierenbescherming, die het argument inbrengt dat de lijsten te lang zijn. Maar ook andere zaken hebben er aan bijgedragen dat deze ‘RDA-lijsten’ niet in de wet opgenomen zijn, onder andere het zogenoemde Andibel-arrest, dat in juni 2008 uitgesproken werd door het Europees Hof.

Het Europees Hof sprak zich door middel van dit Andibel-arrest uit over de manier waarop Europese landen tot positieflijsten zouden moeten komen, als zij dat zouden willen. Tot deze uitspraak kwam het Hof omdat de Belgische overheid een positieflijst voor zoogdieren samengesteld had waarvan de totstandkoming niet correct zou zijn geweest. Het Andibel-arrest gaf dus duidelijkheid aan alle Europese lidstaten over hoe er tot een positieflijst gekomen zou moeten worden en dit arrest is bindend voor alle lidstaten. 

Enkele aspecten die dit arrest beschrijft en voorschrijft:

  • Geen negatieflijst maar een positieflijst. 
  • Het opstellen en wijzigen van een lijst moet gebeuren op basis van criteria die objectief en niet discriminerend zijn. 
  • Er moet een eenvoudig toegankelijke procedure beschikbaar zijn, die belanghebbenden in staat stelt diersoorten aan de positieflijst toe te voegen of van de lijst af te halen. Deze procedure moet binnen redelijke termijn kunnen worden afgesloten en een eventuele weigering moet door de overheid worden gemotiveerd.

Deze uitspraak van het Europees Hof droeg eraan bij, dat de door de RDA opgestelde positieflijsten niet in de wet opgenomen zijn. Immers, deze RDA-lijsten waren tijdens enkele bijeenkomsten opgesteld door deskundigen en dat proces werd niet beschouwd als objectief.

Het Andibel-arrest vermeldt enkele mogelijke motieven die de overheden van de lidstaten zouden mogen gebruiken voor het opstellen van positieflijsten:  

  • Het waarborgen van dierenwelzijn.
  • Gezondheidsgevaar van personen en dieren: (op de mens) overdraagbare ziekten, ook zoönosen genoemd.
  • Gevaar voor de inheemse flora en fauna: plant- en diersoorten die (in Nederland) populaties kunnen vestigen en lokale soorten kunnen bedreigen, ook invasieve soorten genoemd. 

Maar eigenlijk gaat het Andibel-arrest over handelsbelemmeringen die de landen binnen het Europese vrijhandelsverdrag wel of niet mogen instellen. Een positieflijst is natuurlijk een handelsbelemmering (voor alle niet-opgenomen soorten) en het Andibel-arrest stelt zelfs dat een diersoort niet van een positieflijst mag worden geweerd, als deze drie motieven niet kunnen worden gewaarborgd op een andere manier die het handelsverkeer minder verstoort. Ofwel: als er andere middelen zijn om de drie genoemde doelstellingen te behalen, moet een soort op de positieflijst worden geplaatst. 

Daarover bestond en bestaat veel discussie tussen de overheid en dierenhouderorganisaties. De overheid wil de positieflijsten gebruiken door er veel dieren op te plaatsen, zodat het dierenwelzijn verbetert. Maar de dierenhouderorganisaties stellen dat in principe alle dieren houdbaar zijn, als je maar aan de vereisten van die diersoort kunt voldoen. Zij willen dus geen positieflijsten maar houderijvoorschriften, waarbij er eisen worden gesteld aan het houden en de verzorging van de dieren; daarmee wordt het welzijn van de (individuele) dieren wél gediend. Tegenover de overheid hebben liefhebbersorganisaties dan ook altijd het standpunt verdedigd dat een goede houderij berust op een per diersoort wisselende mix van kennis, kunde, ervaring en faciliteiten.  

De overheid leek overigens nauwelijks gevoelig voor de argumentatie dat een gezelschapsdier houden tijd en geld mag kosten. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een productie-, dierentuin- of een circusdier; zo’n dier moet uiteindelijk per saldo geld opleveren.  

Na dit Andibel-arrest leek iedereen het erover eens dat de opstelling van een positieflijst vanwege praktische redenen onhaalbaar zou zijn. Het werk dat verzet moest worden om tot zo’n lijst te komen, werd gezien als te omvangrijk en als te kostbaar. Desondanks ging de overheid door. 

In juni 2009 kreeg de WUR (Wageningen Universiteit & Research) van de overheid de opdracht om een methode te ontwikkelen voor het opstellen van positieflijsten. Deze methode moest resulteren in een lijst van diersoorten die ‘redelijkerwijs vanuit het oogpunt van dierenwelzijn door mensen mogen worden gehouden’. In eerste instantie gaat het dus om het opstellen van criteria om tot een dergelijke lijst te komen. Objectieve criteria die gebruikt kunnen worden voor zowel het opstellen van de lijsten, als voor het achteraf wijzigen van diezelfde lijsten.  

Eén van de uitgangspunten van de opdracht was ‘het gedrag in de natuur’ van het dier. De beredenering: dieren die hun ‘gedrag in de natuur’ onder houderij-omstandigheden niet kunnen uiten, hebben dus onvoldoende welzijn en komen dus niet op de lijst. Dit is een vreemde redenering. Dieren vertonen vaak gedrag omdat hun natuurlijke omgeving hen daartoe dwingt. Een voorbeeld. Vele zebra’s trekken in de natuur duizenden kilometers, onderweg van het ene graasgebied naar het andere. Een half jaar later leggen zij die uitputtende reis weer af in tegengestelde richting. Dat móeten zij wel doen, want anders hebben zij geen eten. Maar als wij diezelfde zebra’s in het safaripark een mooie weide geven en bijvoeren met hooi, hebben zij echt niet de behoefte om duizenden kilometers te trekken. De noodzaak ontbreekt want het eten groeit letterlijk voor het opgrazen. En als dat op is, komt er een mensje langs dat in een mooie berg voer voorziet. Sterker nog, die zebra’s zijn mogelijk erg blij dat ze altijd lekker eten ter beschikking hebben zonder de levensgevaarlijke tocht te moeten maken. Daarnaast: het Andibel-arrest rept niet over natuurlijk gedrag, het spreekt wél over welzijn. En niet elk natuurlijk gedrag is essentieel voor het welzijn van het dier. 

In de opdracht wordt ook gerefereerd aan CITES-wetgeving en aan diersoorten die ziekten op mensen kunnen overbrengen (zoönosen). Met productiedieren hoeft geen rekening te worden gehouden bij de totstandkoming van deze lijsten, die hebben als een vrijkaart gekregen. Ook enkele andere dieren, zoals de hond en de kat, hebben al zo’n vrijkaart gekregen; ook zij komen sowieso op de positieflijst. 

De WUR is aan de slag gegaan met hun opdracht om een methode te ontwikkelen voor het maken van positieflijsten. Die methode zou in eerste instantie moeten gaan leiden tot een lijst voor zoogdieren, andere gewervelde dieren, zoals reptielen, amfibieën en vissen, komen later aan de beurt. In mei 2010 was de WUR klaar met het eerste deel van de opdracht: het ontwikkelen van een eerste opzet van de methode. Het resultaat werd echter pas in 2011 openbaar gemaakt. 

Die methode heeft een paar rare dingen opgeleverd, dingen die een potentieel gevaar vormen voor onze hobby. Zowel de opdracht aan de WUR als de methode van de WUR bevatten namelijk een paar vreemde uitgangspunten die ervoor zullen zorgen dat de lijsten heel kort gaan worden:

  • Uitgangspunt is dat er een lijst gemaakt wordt van dieren die kunnen worden gehouden door ‘de modale leek/particulier in een rijtjeshuis die zijn dierkennis van internet haalt en zijn dierbenodigdheden in de plaatselijke dierenwinkel.’ Ofwel: al die dierenhouders die meer willen doen om hun dieren goed te houden, vallen straks buiten de boot. Al die mensen die wél moeite willen doen, die wél zoeken naar producten die zij nodig hebben om hun dieren te houden, die wél spullen kopen die niet in de standaard dierenwinkel te krijgen zijn en al die mensen die veel moeite doen om hun kennis te vergroten; al die mensen krijgen straks nul op rekest. Want op de positieflijst mogen volgens de opdracht alleen maar soorten staan die door ‘leek/particulier’ gehouden kunnen worden etc. etc. De mensen die hun kennis, kunde, ervaring en middelen willen inzetten om hun dieren goed te houden, krijgen daar dus de kans niet voor.
  • En dan dat rijtjeshuis. Dat wordt de ‘normomgeving’ genoemd. Dat wil zeggen dat een (zoog)dier alleen op de positieflijst kan komen, als het te houden is in een woning waar je binnen maximaal 15 m2 en buiten maximaal 30 m2 beschikbaar kunt maken voor één of twee dieren van de soort. Dat is natuurlijk een vreemde gedachtegang. Stel, een diersoort komt op de positieflijst omdat het kan worden gehouden in een volière van 30 m2 groot. Mag je dat dier dan ook houden op een flat met alleen een balkon? Volgens de overheid wel, want zoals de opdracht vermeldt: ‘om pragmatische redenen betreffende handhaving … is het stellen van eisen aan de houderij-omstandigheden niet aan de orde.’ Ofwel: als een dier op de positieflijst staat, mag het worden gehouden, zonder dat er eisen worden gesteld aan de omstandigheden. Dat is natuurlijk in tegenspraak met dierenwelzijn. Maar, andersom werkt het ook. Mag iemand die een boerderij heeft met enkele hectaren grond geen alpaca’s meer houden, omdat deze dieren meer dan 30 m2 nodig hebben en dus niet op de positieflijst terecht komen? Dat zou natuurlijk ook vreemd zijn. Kennelijk zagen opdrachtgever en/of opdrachtnemer ook in dat het instellen van deze normomgeving flauwekul is, want eind 2012 is deze eis losgelaten: de normomgeving is gelukkig van tafel. Maar andere uitgangspunten staan nog als een huis. Zoals het hiervoor genoemde punt en de navolgende.
  • Bij het opstellen van de positieflijsten moet de WUR ook rekening houden met wettelijke beperkingen zoals CITES. Dat is natuurlijk flauwekul; de CITES-wetgeving regelt de handel van kwetsbare soorten, daar hebben we geen tweede wet voor nodig. Verder zegt CITES helemaal niets over dierenwelzijn - heel veel CITES-dieren zijn prima in goede welzijn te houden - en dat is toch wel wat de overheid met de positieflijsten wil bevorderen: dierenwelzijn. Het verbieden van het houden van CITES-dieren, wat dus de bedoeling lijkt te zijn van de overheid, helpt ook de diersoort in de natuur niet. Een bedreigde diersoort redt het per definitie niet zonder hulp in de natuur. Op de website www.cites.org kun je per soort nagaan wat de oorzaak is waardoor de dieren bedreigd worden en de handel voor gezelschapsdieren is vrijwel nooit schuldig aan de bedreigde status van de soort. Bijna altijd is habitatvernietiging de schuldige factor. Of zoiets als grootschalige, illegale jacht voor de handel in (lichaams)delen van dieren, zoals slagtanden en huiden.
  • De ontwikkelde methode maakt gebruik van literatuurverwijzingen. Als er over een soort niets bekend is in de literatuur, komt deze soort niet op de positieflijst. Erger nog, er wordt alleen gebruik gemaakt van wetenschappelijke bronverwijzingen. Daarmee is de gigantische kennis van hobbyisten meteen van tafel geveegd. De vele liefhebbersbladen van verenigingen etc. zijn namelijk geen wetenschappelijke bladen en worden dus niet gebruikt! Sterker nog, zelfs de dierentuinjaarboeken worden niet gebruikt en die genieten internationaal zeer veel aanzien. Verder wordt er veel wetenschappelijks gepubliceerd over dieren maar nauwelijks over het houden van dieren in gevangenschap en over de koppeling tussen natuurlijk gedrag en de noodzaak om dit gedrag onder houderij-omstandigheden te tonen. En als er geen wetenschappelijke literatuur is, komt een dier dus niet op de positieflijst. Groot probleem.  

Dit zijn de opvallendste problemen in de opdracht aan de WUR en in de door de WUR opgestelde methode voor het maken van de positieflijsten. Maar het zijn niet de enige. Wil je de documenten zelf lezen: je vindt ze op www.huisdieren.nu. 

Dan verder met de uitwerking van de positieflijsten. Na het ontwikkelen van de methode (die nog steeds niet definitief gepubliceerd is), kreeg de WUR namelijk de opdracht om via die methode een positieflijst zoogdieren op te stellen. In maart 2011 publiceerde de WUR rapport 408: Advisering voor vervolg Positieflijst Zoogdieren. En ook bij de totstandkoming van dat rapport ging er links en rechts wat fout. De meest opvallende zaken:

  • Een belangrijk uitgangspunt bij het onderzoek was het eerder genoemde ‘natuurlijk gedrag’. Als er in een willekeurige wetenschappelijke publicatie gedragsuitingen werden gevonden, werd dat direct vertaald naar gedragsbehoeften voor die soort. Ofwel, omdat die zebra’s in de natuur duizenden kilometers trekken, is dat essentieel voor zebra’s. En als zij dat niet kunnen onder houderij-omstandigheden, dan is hun welzijn in gevaar. Dit ondanks dat er geen fysiek, geestelijk of sociaal lijden waarneembaar is bij de dieren. Een vreemde en foute gedachtegang.
  • De WUR heeft een indexering gemaakt van zoogdieren die gehouden worden. Het idee is simpel: alleen dieren die gehouden worden, hoeven te worden beoordeeld. Er is een enquête uitgeschreven waarin hobbyisten konden aangeven welke dieren zij houden. De WUR bleek niet in staat om veel mensen te bereiken, want de enquête werd slecht ingevuld; veel hobbyisten klaagden achteraf dat zij helemaal niet wisten dat zij konden aangeven welke dieren zij houden. Als gevolg daarvan is er van relatief weinig dieren onderzocht of zij een plaats op de positieflijst waardig zijn. En de dieren die niet onderzocht worden, komen dus niet op de lijst.
  • Zoals eerder gezegd, mag er alleen gebruik gemaakt worden van wetenschappelijke literatuur. De onderzoekers beschouwen boeken als de encyclopedie van Grzimek uit 1974 of zelfs Brehm’s Tierleben uit 1895 (!) als wetenschappelijke literatuur, maar bijvoorbeeld niet de eerder genoemde dierentuinjaarboeken. Heel misschien zijn die boeken van grofweg veertig of honderdtwintig jaar oud een beetje verouderd te noemen. Maar dat lijkt de WUR niet als een probleem te zien.
  • Per diersoort is er een ‘informatierisico’ vastgesteld. Zoekmachines zoeken on-line binnen Wikipedia en bepaalde wetenschappelijke websites en die machines tellen per diersoort hoeveel woorden er aan de soort gewijd zijn. Als er weinig woorden gevonden worden, is er weinig informatie beschikbaar en loopt de soort hier een groot risico. Ofwel: de kans wordt steeds kleiner dat deze soort op de positieflijst terecht komt. Van de 217 onderzochte zoogdiersoorten (ja, zo weinig), kon er van slechts 100 soorten voldoende informatie worden gevonden; de overige 117 soorten konden niet worden beoordeeld. Dit zijn dus allemaal soorten die (veel) gehouden worden! Het gaat overigens wederom om wetenschappelijke verwijzingen. Op deze manier is kwantiteit van informatie belangrijker dan kwaliteit. Geen idee wat dat met dierenwelzijn te maken heeft.
  • Eén van de belangrijkste bezwaren tegen de methode: er wordt geen rekening gehouden met de mate van eenvoud of moeilijkheid waarop een dierenhouder kan voldoen aan een bepaalde ‘eis’ die een dier stelt volgens het literatuuronderzoek. Een voorbeeld: voor een vetstaartgerbil worden er 2 problemen gezien in de houderij: ten eerste mag de luchtvochtigheid niet hoger zijn dan 50% en ten tweede heeft het dier een stofbad nodig. In de houderij levert dit geen problemen op: in de meeste huizen komt de luchtvochtigheid nooit boven de 50% en een bak met chinchillazand is binnen no-time aan het verblijf toegevoegd. Desondanks krijgt deze soort 2 vinkjes achter de soortnaam waardoor het dier van de positieflijst verdwijnt. En zo worden heel veel soorten langzaam de positieflijst af gedirigeerd. 

Uiteindelijk publiceerde de WUR een rapport waarbij de WUR de overheid een wapen geeft om ‘op wetenschappelijke gronden’ te verdedigen dat de positieflijsten zo kort als mogelijk moeten zijn. Momenteel is er geen reden om aan te nemen dat de overheid dat wapen niet zal gaan gebruiken. Integendeel!

Nog even terug naar die honderd onderzochte zoogdiersoorten. 

  • 21 soorten mogen niet op de positieflijst omdat er voor die soorten drie of meer ‘hoge gedragsbehoeften’ vastgesteld zijn. Hieronder bijvoorbeeld zwartstaartprairiehonden, zevenslapers, zebramangoesten, degoe’s, stokstaartjes en beverratten; allemaal wat kleinere dieren waarvan hobbyisten vinden dat zij goed houdbaar zijn. En dat geldt ook voor de meeste andere dieren op deze lijst, ook voor de grotere soorten.
  • 11 soorten hebben geen hoge behoeften en kunnen sowieso op de positieflijst. 11 van de 100 van de 217. Dat is dus zo’n 5% (je leest het goed: vijf procent) van de 217 onderzochte dieren die sowieso op de positieflijst komen! En slechts 0,2% van alle zoogdiersoorten die op aarde rondlopen.
  • 12 soorten kunnen in principe op de positieflijst, zij het niet dat ze meer ruimte nodig hebben dan de eerder genoemde normomgeving (die na dit rapport vervallen is).
  • 56 soorten hebben één of twee hoog scorende gedragsbehoeften. Afhankelijk van waar de grens gesteld wordt, mogen die dus wel of niet op de positieflijst. Ook hier staan veel gehouden diersoorten op de lijst: kortstaartopossums, goudhamsters, vetstaartgerbils, dwergmuizen, bruine ratten en tenreks bijvoorbeeld, dieren die veel gehouden worden en die bij dierenhouders bekend staan als goed houdbaar. 

Nadat dit rapport was verschenen, werden liefhebbersorganisaties gehoord over wat zij vonden van de gang van zaken, maar er werd niet naar hen geluisterd. Inhoudelijk werd er niet van gedachten gewisseld. Dierenhouderorganisaties wezen op de strijdigheid van de methode met het Andibel-arrest, maar dat werd ontkend. De overheid gaf aan niet te twijfelen aan de wetenschappers en de wetenschappers meldden dat zij alleen maar werkten aan de aan hen gegeven opdracht. Ofwel: er was en is geen enkele vorm van overleg mogelijk voor organisaties die onze belangen behartigen.

In de daaropvolgende jaren werkte de WUR verder aan de positieflijsten, want de hierboven beschreven lijsten waren nog niet definitief. Eind januari 2013 was er nog een belangrijk moment. De WUR had de positieflijsten ver af en nu was er een moment aangekomen dat deskundigen (dierenhouders) hun zegje mochten doen over de ontwikkelde methode. Elf belanghebbende organisaties - zoals de Dierenbescherming, Dibevo, Platform Verantwoord Huisdierenbezit, Vereniging Parkdieren, Stichting AAP en zo nog een paar organisaties - werden uitgenodigd om ieder een aantal deskundigen af te vaardigen. Deze deskundigen zouden de methode gaan beoordelen. Tijdens een instructiebijeenkomst gebeurde het voor het eerst dat de WUR-onderzoekers tegelijkertijd in één ruimte zaten met dierenhouders en dat gaf veel discussie. Belangrijker is dat bijna alle betrokken organisaties na deze bijeenkomst tot de conclusie kwamen dat zij de door de WUR voorgestelde methode niet konden steunen en vervolgens trokken bijna alle organisaties zich terug. Niet alleen organisaties die de belangen van de dierenhouders behartigen (zoals het PVH, Vereniging Parkdieren en Dibevo) maar ook de Dierenbescherming trok zich bijvoorbeeld terug.

Je zou denken dat deze gezamenlijke terugtrekactie van de betrokken organisaties een signaal zou afgeven aan de politiek. Immers, nagenoeg niemand steunt de manier waarop de positieflijsten tot stand komen en in polderend Nederland betekent het normaal gesproken nogal wat als er bij maatschappelijke organisaties geen draagvlak is voor politieke plannen. Maar helaas, staatssecretaris Dijksma houdt vast aan de ingezette koers. Doel is nog steeds dat er positieflijsten komen. En de methode van de WUR wordt nog steeds gevolgd. Het is de bedoeling dat zowel de definitieve werkmethode als de definitieve positieflijst zoogdieren nog voor het zomerreces van 2013 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

Een klein zijsprongetje: een puntje waar door de overheid in deze discussie aan voorbij gegaan wordt: captive conservation. Vele dieren worden in hun natuurlijke habitat bedreigd door bijvoorbeeld habitatvernietiging of ziektes (zoals de chitrid-schimmel die wereldwijd een derde van alle kikkersoorten met uitsterven bedreigt). Populaties in gevangenschap kunnen deze diersoorten redden. Denk bijvoorbeeld aan de San Francisco kousenbandslang die in de natuur zó sterk bedreigd is, dat kweekprogramma’s in gevangenschap de ondersoort succesvol voor uitsterven behoeden. De kennis en kunde die in de loop der jaren door liefhebbers opgebouwd is, is onmisbaar voor dit soort kweekprogramma’s, evenals de stamboekprogramma’s die succesvol gevoed worden door liefhebberscollecties. Als we de houderij zo ver beknotten dat die kennis en kunde verdwijnen, kunnen zij ook niet meer gebruikt worden om de bedreigde diersoorten van de komende generaties een reddingsboei toe te werpen.

Terug naar de positieflijsten: onze hobby loopt groot gevaar! Áls de positieflijsten er komen en áls die samengesteld worden op de manier waarop de WUR de positieflijst zoogdieren aanpakt, dan kunnen we ervan uitgaan dat de positieflijsten voor reptielen en amfibieën straks zeer kort zullen zijn! En tot op de dag van vandaag gaat zowel de politiek als de WUR als een stoomwals door met het maken van lijsten op basis van de eerder genoemde oneigenlijke gronden.

Ook moeten we vrezen voor moeilijk toegankelijke, zeer dure, toelatingsprocedures, fokverboden voor soorten die dus niet op de positieflijst komen en nog meer onwenselijke effecten. Zoals een illegaal circuit van dieren die niet meer gehouden mogen worden; dieren die daardoor in een zwart circuit verdwijnen, uit het zicht van zowel overheid als van andere liefhebbers. Zoals ook de pitbulls overkwam. En dat vormt juist een gevaar voor het welzijn van deze dieren.

Samenvattend

  • Er wordt uitgegaan van een niet-reëel beeld van de houderij van ‘bijzondere’ dieren en van de inspanningen die mensen willen leveren tot het goed houden van deze dieren.
  • De overheid heeft geen belangstelling voor de belangen van de dierenhouders.
  • Het werk van de WUR laat veel te wensen over. Zowel de uitgangspunten als de ontwikkelde methode zijn in strijd met de realiteit en met het Andibel-arrest.
  • De positieflijsten zullen op deze manier niet bijdragen aan dierenwelzijn. Integendeel.
  • Deze methode kan leiden tot het weglekken van kennis en kunde bij dierenliefhebbers, waardoor we in potentie de mogelijkheid verliezen om honderden of duizenden huidige en toekomstige bedreigde diersoorten te behouden. 

Momenteel gebeurt er veel op het gebied van de positieflijsten. Sterker nog, de kans is groot dat de tekst die je net gelezen hebt, ingehaald is door de tijd op het moment dat je dit leest. Zo wordt er bijvoorbeeld nog voor de zomer van 2013 een nieuw rapport verwacht waarin vrijwel zeker wat zaken veranderen. Dus: wil je op de hoogte blijven van de ontwikkelingen? Informeer je via www.satonederland.nl en via www.huisdieren.nl voor de laatste informatie. En Zit je facebook? Zoek dan het account van SATO Nederland op en ‘vind het leuk’. Dan hoor je het laatste nieuws als eerste.

Wil je iets doen tegen de positieflijsten? Wordt lid van een dierenhoudervereniging en steun organisaties zoals SATO en het PVH. Heb je een netwerk of talenten die bruikbaar zijn in de strijd? Bijvoorbeeld op politiek, juridisch of wetenschappelijk gebied? Bied jezelf dan aan als ridder voor de goede zaak. Trek je harnas aan, zadel je ros en trek erop uit naar de slagvelden waar de strijd gestreden gaat worden. De strijd tegen het onrecht dat dierenliefhebbers en hun dieren aangedaan wordt. Kun je dat strijdveld niet vinden? Meldt je bij de SATO of bij het PVH.

Deze tekst is geschreven door Mark Ernst (SATO) met ondersteuning van Pim Wilhelm (SATO) en Ed Gubbels (PVH) en met hulp van enkele anderen binnen en buiten SATO. 

 

Wie is wie?

RDA: Raad voor Dierenaangelegenheden. Deze onafhankelijke raad bestaat uit diverse deskundigen. Zij adviseert de overheid (staatssecretaris) gevraagd en ongevraagd over allerhande onderwerpen op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. www.rda.nl.

Sharon Dijksma. De staatssecretaris die op het Ministerie van Economische Zaken belast is met het dossier positieflijsten gezelschapsdieren.

PVH (SPVH): Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit. Het PVH vertegenwoordigt de dierenhouders van Nederland; vele dierenhouderverenigingen zijn lid van het platform. Het PVH houdt zich bezig met de politieke belangen van ons dierenhouders maar zij bevorderen ook het dierenwelzijn door voorlichting. www.huisdieren.nu.

SATO: Samenwerkende Aquarium- en Terrarium Organisaties. De SATO behartigt de belangen van houders van gewervelde koudbloedigen: vissen, amfibieën en reptielen. Vele aquarium- en terrariumverenigingen zijn lid van de SATO die vervolgens als koepelorganisatie aangesloten is bij het PVH. www.satonederland.nl.

WUR: Wageningen Universiteit & Research. Het instituut biedt opleidingen en onderzoek aan op gebied van voedsel(productie), leefomgeving en gezondheid. www.wageningenur.nl.

Dibevo: Brancheorganisatie die opkomt voor de belangen van allerlei bedrijven die actief zijn m.b.t. gezelschapsdieren: fabrikanten, groothandels, dieren-, hengelsport- en aquariumwinkels, dierenpensions, trimsalons, dierenimporteurs en -exporteurs.

Actions: E-mail | Permalink |
Petitie tegen de Positieflijsten
SATO
  

 

SATO is de vereniging die de belangen behartigt voor organisaties van koudbloedige dieren, zoals reptielen, vissen en amfibieën

 

Inleiding

Veel mensen houden vissen, amfibieën, reptielen of ongewervelde dieren. Deze worden gerekend tot de koudbloedige dieren, dat wil zeggen dat ze hun lichaamstemperatuur niet systematisch op een hoog peil houden. De variëteit hierin is enorm. Er zijn wel 28.000 soorten vissen, 3.500 soorten amfibieën, 6.000 soorten reptielen. Om over het aantal soorten insecten maar te zwijgen.
Het is daarbij van belang ook te weten hoe deze huisdieren op verantwoorde wijze gehouden moeten houden. Dat is vaak niet zo moeilijk, als je maar weet hoe. Dat geldt zelfs voor zogenaamd “moeilijke” diersoorten.
Er komt natuurlijk toch nog wel wat bij kijken; voeding, temperatuur, vochtigheid, juiste inrichting van het verblijf, verlichting, om maar eens een paar aspecten te noemen. Het gaat er dus om de juist informatie hierover te krijgen. Eerst wordt natuurlijk gezocht op internet. Daar is al het nodige te vinden, maar meestal blijven er toch nog vragen over. Voor antwoorden daarop zoekt men mensen of organisaties met kennis en ervaring.

 

Aquarium- en terrariumorganisaties

Daarbij komt men al snel terecht bij een aquarium- , terrarium- of anderszins gespecialiseerde vereniging voor houders van koudbloedige dieren. Hier is toch de meeste deskundigheid te vinden over onze huisdieren. Aansluiten bij een dergelijke vereniging heeft voor de echte liefhebber meerdere voordelen die ruimschoots opwegen tegen de kosten van het lidmaatschap. Contact met de overige leden om ervaring uit te wisselen, aanschaf van gezonde nakweek dieren, ruilen, uitwisselen van mannetjes- en vrouwtjesdieren om kweekstellen te krijgen, informatie over gespecialiseerde boeken, tips over materialen en apparaten, interessante artikelen in het verenigingsblad, bijwonen van lezingen, excursies etc. Kortom binnen een vereniging is van alles vinden om onze dieren op verantwoorde wijze te kunnen houden.

 

Samenwerkende Aquarium- en Terrarium Organisaties

Deze vereniging is opgericht op 20 november 1996 door de toenmalige Nederlands en Belgische Bond van Zee-aquariumverenigingen, de Nederlandse Bond Aqua-Terra en de Nederlandse Schildpadden Vereniging, nu de Nederlands-Belgische Schildpadden Vereniging. De SATO is ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer 40125474.

De SATO is een koepelorganisatie waarbij diverse aquarium- en terrariumverenigingen zijn aangesloten. De huidige leden in zijn:

    • Dendrobatidea Nederland ( DN ), kikkers, 1033 leden.
    • Europese Slangen Vereniging ( ESV ), 250 leden.
    • Killifish Nederland (KFN ), eierleggende tandkarpers, 116 leden.
    • Lacerta, Nederlandse Vereniging voor Herpetologie en Terrariumkunde ( NVHT ), 667 leden.
    • Nederlands Belgische Schildpaddenvereniging ( NBSV ), 470 leden.
    • Nederlandse Bond Aqua Terra ( NBAT ), 2110 leden.
    • Poecilia, levenbarende tandkarpers, 71 leden.
    • Salamandervereniging, 93 leden.

    De volgende verenigingen overwegen in 2015 lid te worden:
    Kameleon Vereniging Nederland ( KVN ).
    Nederlandse Vereniging voor Cichlidenliefhebbers ( NVC ).

    De SATO heeft tot doel:

    • Het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de leden.
    • Het bevorderen van de gezondheid en het welzijn van koudbloedige- en ongewervelde dieren, bestemd tot gezelschapsdieren.
      Zeker gelet op het feit dat het aspect dierenwelzijn een steeds belangrijker rol gaat spelen in de maatschappij en politiek is het bevorderen van de voorlichting hierover een belangrijk onderdeel van onze doelstelling.

     

    Zij tracht dit doel ondermeer te bereiken door:

    • Het organiseren van bijeenkomsten, waarin de gemeenschappelijke belangen van de leden worden vastgesteld.
      Deze worden vijf maal per jaar gehouden met bestuur en vertegenwoordigers van de aangesloten verenigingen. Hierbij wordt informatie uitgewisseld om te bezien welke onderwerpen ondersteund of overgenomen kunnen worden voor verdere behandeling.
    • Het tot stand brengen en onderhouden van een relatie met (verwante ) organisaties en de overheid.
      Hiertoe neemt de SATO deel aan het samenwerkingsverband met de Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit (SPVH / www.huisdieren.nu). Deze Stichting heeft onder andere tot doel:
      “De bevordering van een verantwoorde relatie tussen mens en het gezelschapsdier alsmede het stimuleren van het op verantwoorde wijze houden van gezelschapsdieren”.

    Hiertoe worden door de Werkgroepen voor koudbloedige dieren; de Werkgroep Reptielen en Amfibieën en de Werkgroep Vissen en ongewervelden “Gidsen Goede Praktijken” opgesteld.
    Bij het SPVH zijn overigens meerdere koepels aangesloten. Buiten de SATO ook van bijv. honden, katten, postduiven en andere huisdieren. Via deze stichting wordt ook het contact met de overheid onderhouden. Dat is vooral belangrijk om een inbreng te hebben in het opstellen van realistische, duidelijke en uitvoerbare wet- en regelgeving voor de dierenhouders. Te denken valt aan: Welke dieren mogen er wel of niet gehouden worden, vergunningstelsels, chippen, regels voor transport, reglementen voor het houden van beurzen etc.

    Hiertoe wordt deelgenomen aan symposia, hoorzittingen en internet- communicatie.

    • Het verzamelen en beschikbaar houden van informatie die voor de leden in de uitoefening van hun activiteiten van belang is.
      Hiertoe is de site opgezet www.satonederland.nl . Buiten de informatie over de SATO zelf zijn er algemene onderwerpen opgenomen die de hobbyist op diverse gebieden de gezochte informatie kunnen bieden. Ook is er een link naar de aangesloten verenigingen.
      Daarnaast is er een link naar het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG / 
      www.licg.nl). Deze onafhankelijke Stichting is opgericht in samenwerking met het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV). LICG levert een bijdrage aan voorlichting over het verantwoord aanschaffen en houden van gezelschapsdieren. Hiertoe hebben zij voor een aantal koudbloedige dieren bijsluiters opgesteld.

    Pterolebias peruensis (foto R. Wildekamp www.killifishnederland.nl)
    Aphyosemion hanneloreae(foto R. Wildekamp www.killifishnederland.nl)
    Aphyosemion gabunense (foto R. Wildekamp www.killifishnederland.nl)
    Tylotottriton kweichowensis
    Terrapene carolina triunguis (foto Job Stumpel)